Lezing Jan Jaap

Posted by on Jan 7, 2013 in Blog Herre Faber | No Comments

Het Koorenhuis vormde 16 december 2012 het décor van een drietal lezingen voor afgestudeerde en intussen werkzame Bewegingstechnologen. De tweede lezing werd gegeven door een oude bekende: Jan Jaap de Morree. Kort samengevat kwam zijn verhaal erop neer dat we niet meer in aparte spieren moeten denken, omdat ‘alles aan alles vastzit’. Parallel verlopende spiervezels zijn met elkaar verbonden, hele spieren zijn verbonden aan bindweefselschotten die weer aan andere spieren zijn verbonden. Het geven van namen aan spieren zou, functioneel gezien, onzinnig zijn. Het gevolg is, enigszins overdreven uitgedrukt (door mij), dat je bij wijze van spreken met een motorunit in je biceps brachii je voet kunt heffen. Volgens Jan Jaap geeft dit tal van fantastische mogelijkheden en is dit een soort van bewijs dat het menselijk lichaam “zo knap in elkaar zit”. 

In zijn lezing meldde Jan Jaap dat anatomen het feit dat alles aan alles vastzit decennia lang hebben genegeerd en daardoor allerlei functionele aspecten onderbelicht zijn gebleven. Dit lijkt mij een zogenaamd “straw man” argument. Anatomie is een gewichtig vak met serieuze beoefenaren en die weten heus wel dat alles aan alles vastzit. Net doen alsof anatomen dit niet weten is een niet realistische vervorming van hun kennis en kunde. Vervolgens is het dan wel wat gemakkelijk om ze te beschuldigen van het missen van de functionele consequenties. Eén van de redenen dat anatomen toch namen geven aan spieren is om wat overzicht aan te brengen, zodat ze met elkaar over hun vak kunnen communiceren. 

Spontane ontwerptechniek

Het feit dat er allemaal dwarsverbindingen bestaan tussen allerlei spiervezels en bindweefsel zal door geen enkele serieuze beroepsbeoefenaar worden ontkend. Wat dat betreft ben ik het volkomen eens met Jan Jaap en al die anatomen. Waarom dan toch dit stukje? Omdat Jan Jaap bij de interpretatie van dit reeds lang bekende feit spreekwoordelijk van twee walletjes probeert te eten. Is het niet geweldig dat je met een motorunit in je quadriceps óók je knie kunt buigen. Prachtig dat het aanspannen van de lange buiger van de ringvinger óók de wijsvinger kan buigen. Dan wordt ‘het’ allemaal lekker een beetje verdeeld. 

Ik laat mij graag imponeren door de staaltjes spontane ontwerptechniek van moeder natuur. De ogen van een buizerd, de echolocatie van een vleermuis en het reukvermogen van onze trouwe maar irritant blaffende viervoeters zijn moeilijk te evenaren of te overtreffen door menselijke techniek. Maar of het feit dat er allemaal dwarsverbindingen tussen spieren bestaan nou in dit rijtje hoort? 

Rendement

Stel, iemand moet zijn knie strekken en daarbij een netto strekkend moment rond dit gewricht leveren. Een willekeurige spiervezel in de quadriceps verzorgt hierbij goede diensten. Hij levert dat strekkende moment en verkort ook nog. Vervolgens moet diezelfde persoon zijn knie met kracht buigen. Als we Jan Jaap mogen geloven, zal het zenuwstelsel in deze situatie wel gek zijn om niet óók weer diezelfde spiervezel aan te zetten. Want die is heus wel via via verbonden met een bindweefselstructuur die een buigend moment over de knie levert. Maar hoe moet dit werken? De knie buigt, dit hoort bij de opgelegde bewegingstaak. Verkort die spiervezel of verlengt hij? Allebei tegelijk lijkt mij toch moeilijk! Aangezien hij zich in de quadriceps bevindt, ga ik er toch maar vanuit dat hij verlengt bij een buiging van de knie. Een verlengende spiervezel levert arbeid, maar let wel: negatieve arbeid. Kracht en bewegingsrichting zijn bij een excentrisch contraherende spiervezel tegengesteld gericht. Het product van die twee, de arbeid, is daarom negatief. Over het kniegewricht moet echter pósitieve arbeid worden geleverd: een buigende beweging gecombineerd met een buigend moment vereist positieve arbeid. Zo die spiervezel in de quadriceps iets doet, werkt hij dus juist tegen. Het rendement wordt dramatisch verlaagd en het zenuwstelsel zou er verstandig aan doen alleen maar spiervezels in de hamstrings aan te spannen, niet in de quadriceps! 

Een ander voorbeeld: buig de wijsvinger. Gebruik hiervoor, onder andere, een buiger van de ringvinger. Helemaal goed volgens Jan Jaap, want de buiger van de ringvinger zit via dwarsverbindingen vast aan de buiger van de middelvinger, die op zijn beurt weer is verbonden met de buiger van de wijsvinger. Hoeft die wijsvingerbuiger het tenminste niet in zijn eentje te doen. Het probleem is echter dat de opdracht luidde: buig de wijsvinger. Dus niet: buig de wijsvinger én de ringvinger. Het aanspannen van de ringvingerbuiger  leidt natuurlijk ook tot een buiging van de ringvinger en dat was niet gewenst. Moet je dus weer een ringvingerstrekker aanspannen om dit te compenseren. Uiteindelijk schakel je veel meer spiermassa in dan eigenlijk nodig, wat niet erg efficiënt lijkt. Is er dan geen enkel effect te verwachten van dwarsverbindingen? Vast wel, een klein beetje. Maar de door Jan Jaap voorgestelde aardverschuiving in functionele consequenties zal het niet opleveren. 

Boek

Jan Jaap vertrouwde de zaal toe zijn boek ‘Dynamiek van het menselijk bindweefsel’ compleet te gaan herschrijven. De redenen zijn onder andere de hiervoor genoemde “inzichten”. Langs deze weg wil ik hem graag een advies geven. Kom tot inkeer en doe het niet. Zo meteen is er nog iemand die het echt gaat geloven en dat zou niet terecht zijn.

 Dit is de reactie van Jan Jaap de Morree.